Wat bepaald wisselkoersen bij het investeren in Valuta?

Het moge curieus zijn, maar economen met hun complexe mathematische modellen hebben eigenlijk verrassend weinig grip op de bewegingen van wisselkoersen. Er zijn nogal wat van die modellen in omloop, maar in zijn algemeenheid kan gezegd worden dat die modellen voor sommige wisselkoersen een tijdje opgaan, maar er is nog geen model dat alle wisselkoersen altijd goed vat. Toch een klein overzichtje.

Het eerste wat moet worden bedacht is dat een valuta een financieel instrument is dat wordt verhandeld op een bijzonder liquide markt, de meest liquide markt die we kennen (al hangt dat natuurlijk af van de valuta in kwestie, maar in de euro/dollar of dollar/yen markt gaan een slordige paar biljoen per dag om, deze markten kunnen gerust liquide genoemd worden).

Vertrekpunt is de efficiënte markt hypothese, welke beweert dat alle beschikbare informatie al in de prijs is verwerkt. Dit houdt in dat markten alleen reageren op nieuwe informatie, ‘oud’ nieuws is al in de prijs verwerkt. Het houdt bovendien in dat zogenaamde technische analyse, het gebruiken van patronen in prijsvorming in het verleden om voorspellingen te doen over waar de prijs naartoe gaat niet werkt. Jammer voor het gilde aan technische analisten (of, alternatief, jammer voor de efficiënte markt hypothese).

De efficiënte markt hypothese zegt ook dat aanpassingen aan nieuwe informatie vrijwel meteen gebeurt. Als het bijvoorbeeld zo is dat valuta’s reageren op verschillen in inflatie, dan zal de euro direct stijgen ten opzichte van de dollar als de inflatie in de VS hoger blijkt te zijn dan men voorheen dacht.

Als men eenmaal weet hoe groot deze aanpassing is gebeurt dit ook meteen, anders zou er immers nog een winstmogelijkheid blijven liggen. Als Het verschil in inflatie tussen het eurogebied en Amerika geen 2% maar 12% was (inderdaad, een betrekkelijk onwaarschijnlijk getallenvoorbeeld, slechts bedoeld om u een idee te geven), dan zou volgens het eenvoudige economische model de euro 10% moeten dalen. Zolang dat niet is gebeurt blijven er winstmogelijkheden liggen in het verkopen van de euro, en zal deze dus blijven dalen totdat het ‘nieuws’ volledig in de prijs verwerkt is.

Overigens is het met de efficiënte markthypothese betrekkelijk slecht gesteld, er zijn zelfs die beweren dat de economen die hier de Nobelprijs mee hebben gewonnen deze zouden moeten inleveren omdat deze theorie voor een groot deel verantwoordelijk zou zijn voor de financiële crisis, maar dit is leuk voor een andere keer. Er zijn ook nog wel meer bezwaren tegen de efficiënte markt hypothese in te brengen, bijvoorbeeld dat markten lang niet altijd zo efficiënt zijn als de theorie beweert.

Investeren in valuta: Purchasing Power Parity (PPP)

Een andere belangrijke benchmark in de valutamarkt is de zogenaamde purchasing power parity (PPP). Dit is de wisselkoers waarbij dezelfde bundel goederen in de twee landen (bijvoorbeeld het eurogebied en de VS) hetzelfde kost. In zoverre dit een wisselkoers ‘theorie’ behelst is de gedachte dat op langere termijn wisselkoersen tenderen naar hun PPP waarde.

Ten eerste, wat zijn die PPP waarden? Het bekende tijdschrift The Economist publiceert met enige regelmaat de zogenaamde ‘Big Mac index’, waarbij aan de hand van de prijzen van de big mac van McDonalds eenvoudig de PPP waarden van de valuta (ten opzichte van de Amerikaanse dollar) kan worden berekend.

Het pakket goederen bestaat hier slechts uit McDonald’s Big Mac, met de gedachte dat dit in elk land min of meer hetzelfde is. Hieronder ziet u deze big mac index van juli 2012:

Purchasing Power Parity (PPP) - Valuta beleggen

Hier is de uitleg van The Economist zelf:

For example: at current exchange rates a Big Mac, which sells for $4.33 in America, costs just $2.29 (75 roubles) in Russia, whereas in Brazil it sells for a sliver under $5 (10 reais). So the dollar buys a lot of burger in Russia, signalling that the rouble is cheap and the real rather pricey.

U ziet ook twee metingen, de eerste in 2007 (de lichtblauwe, open bolletjes). Hoe werkt het? In de onderliggende tabel zijn wat meer gegevens, dan ziet u bijvoorbeeld voor China dat een Big Mac 15,65 yuan kost. Bij een koers van 6.39 yuan per dollar houdt dat een prijs van slechts $2,45 in Amerikaanse dollars in. In Amerika is een Big Mac $4,33, de yuan is dus zwaar ondergewaardeerd, volgens deze vereenvoudigde versie van PPP.

Wat in de grafiek ook te zien is is dat China, in 2007 nog het goedkoopst (dat wil zeggen, de meest ondergewaardeerde valuta) aanzienlijk duurder is. geworden. Hetzelfde geldt voor Japan en Argentinië (niet verrassend gezien de 25% inflatie per jaar in dat laatste land). Venezuela is helemaal een ramp. Hier gierde de inflatie dan ook, net als in Argentinië de bocht uit, zonder dat dit in voldoende mate werd gecompenseerd door een valuta devaluatie.

Als ijkpunt zijn de PPP waarden (of de sterk vereenvoudigde Big Mac index) wel interessant, maar als theorie welke valutabewegingen verklaart, laat staan voorspelt, is er het nodige op af te dingen.

Arbitrage in goederen zou het mechanisme moeten zijn waardoor valuta in de pas met hun PPP waarde zouden blijven, maar dit is uiterst onwaarschijnlijk. U gaat niet naar Rusland vanwege de goedkope burgers (zouden voldoende mensen dit doen dan zou de vraag naar roebels oplopen waardoor deze dichter bij haar PPP waarde uit zou komen).

Bij meer geavanceerde goederenpakketten gaat PPP ook niet op, al wordt er in de wereldeconomie natuurlijk wel gekocht daar waar het goedkoop is, zodat de wisselkoers hierdoor wel een opwaartse druk ervaart. Echter, veel goederen, en met name diensten, zijn niet internationaal verhandelbaar, zodat internationale arbitrage hiervoor niet plaatsvindt.

Bovendien, iets waar PPP helemaal geen rekening mee houdt is dat valuta toch voornamelijk door kapitaalstromen worden bepaald, niet door goederenstromen. Dat blijft in de PPP helemaal uit zicht, geen wonder dat de theorie het betrekkelijk slecht doet en valuta’s zich langdurig ver van hun PPP waarde kunnen verhandelen zonder dat er enige convergentie naar het PPP ‘evenwicht’ optreedt.

PPP is een mooi ijkpunt om te zien of valuta’s onder- of overgewaardeerd zijn, maar als theorie van valutabewegingen zouden we er daarom dan ook niet teveel waarde aan hechten. Er is nog wel iets van te redden door de PPP relatief te nemen. Dat wil zeggen, dat valuta’s de tendentie hebben om inflatieverschillen te compenseren.

Daar zagen we in bovenstaande grafiek wel wat van terug. Landen met een hoge inflatie zoals Argentinië en Venezuela zagen inderdaad hun valuta in waarde dalen, maar lang niet genoeg om de opgelopen inflatieverschillen te neutraliseren.

Comments are closed.